Stikstof en de Infrasector: aan de slag!

Utrecht, juni 2020

Ruim een jaar geleden, op 29 mei 2019, heeft de Raad van State uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof. Deze uitspraak heeft grote gevolgen voor ondernemingen en bestuurders in Nederland. Zij hebben inmiddels ruim een jaar de tijd gehad om de consequenties van de uitspraak te doorgronden. In dit artikel gaan we dieper in op het effect van de uitspraak op de sector die de realisatie en het onderhoud verzorgt van de infrastructuur in ons land, de Infrasector.

De Raad van State heeft in haar uitspraak aangegeven dat het niet langer mogelijk is alvast toestemming te geven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor beschermde natuurgebieden. Afgelopen maand, op 8 juni 2020, heeft de commissie Remkes nogmaals bevestigd dat de effecten van stikstof op de natuur zodanig groot zijn, dat nieuwe (bouw)activiteiten in veel gevallen geen doorgang kunnen vinden. Dat heeft zijn weerslag op de sector. De commissie Remkes schrijft:

Met name de bouwsector heeft als gevolg van de impasse grote schade opgelopen, en ook voor andere sectoren geldt dat er grote problemen zijn vanwege het stilvallen van de vergunningverlening. Als de overheid ‘anticyclisch’ wil investeren, dan moet er dringend een aanpak komen om uit deze impasse te raken.”

Anticyclisch investeren door de overheid vindt vaak plaats in Infrastructuurprojecten. Het is daarom nuttig om meer in detail te kijken naar de impact van de uitspraak van de Raad van State op projecten en omzet voor de Infrasector en deze in financiële getallen uit te drukken. Zo wordt inzichtelijk wat de ‘grote schade’ is die de commissie bedoeld heeft.

We gaan om te beginnen een half jaar terug in de tijd, ofwel een half jaar na de uitspraak van de Raad van State. Op 20 november 2019, heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat een brief naar de kamer gestuurd met een bijlage waarin de gevolgen van de PAS-uitspraak op MIRT-projecten zijn opgesomd. Het MIRT is het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport. Dit is het uitvoeringsprogramma van de Rijksoverheid dat jaarlijks wordt bijgewerkt en het heeft een grote voorspellende waarde voor de productie in de sector. Eenmaal gerealiseerd hebben deze projecten vooral grote economische waarde voor Nederland.

De bijlage bij de brief geeft helder inzicht in de verwachte verschuiving van MIRT-projecten ten gevolge van de uitspraak van de Raad van State. Een cijfermatige analyse leidt tot de volgende conclusie: In totaal worden er 33 projecten genoemd, verdeeld over

  • het Hoofdwegennet (16),
  • het Spoorwegennet (2),
  • het Hoofdwatersysteem (9),
  • het Hoofdvaartwegennet (2) en
  • programma’s (4).

De vertraging en de omvang van de projecten is ruim gedefinieerd, bijvoorbeeld ‘EUR 100-500 mln’ of ‘1 tot 3 jaar’. Dit maakt interpretatie lastig, maar het is toch mogelijk een totaalbeeld te krijgen door de bandbreedtes op te tellen en (optimistisch) aan te nemen dat projecten die op “meer dan EUR 1 mld” geraamd zijn (7 stuks), te begroten op dan exact EUR 1 mld. De tabel hieronder vat dat samen:


Tabel: uitwerking “Gevolgen van PAS-uitspraak op MIRT projecten (inclusief kustlijnzorg)”

Het beeld dat dan overblijft is dat de minimale financiële omvang van projecten met een vertraging in de infrasector EUR 5,15 mld is en dat daarbij nog EUR 3,65 mld aan projecten met een nader te bepalen vertraging kan ontstaan. De bepaalde maximale omvang van de projecten met vertraging is EUR 8,2 mld plus nog eens EUR 5,5 mld nader te bepalen vertraging. De omvang van de maximaal uitgestelde omzet voor de sector is dan EUR 13,7 mld.

Ter vergelijking: De totale som van uitgaven en kosten van Rijkswaterstaat in 2019 was EUR 4,8 mld en de omvang van de totale Infra-productie in Nederland (nieuwbouw, herstel en onderhoud) in 2019 was ruim EUR 17 mld, inclusief die van gemeenten en provincies.

Met deze cijfers in de hand kan worden geconcludeerd dat de sector eind 2019 geconfronteerd is met uitstel van projecten op Rijksniveau met minimaal een omvang zo groot als de jaaromzet van Rijkswaterstaat. De omvang van de vertraagde projecten kan oplopen tot 80% van de jaaromzet van de gehele Infrasector.

 

Wat zijn de acties van het kabinet?

De effecten van de uitspraak van de Raad van State, al dan niet in combinatie met geïntroduceerde en gewijzigde regelgeving rondom PFAS, zijn nu merkbaar aan het worden in de doorlooptijd van procedures en in de orderportefeuilles van bedrijven. Deze zorgen worden in het kabinet herkend.

Op 17 juni 2020 heeft Minister Schouten van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, die het stikstofdossier behandelt, een brief naar de Tweede Kamer gestuurd waarin zij onder andere schrijft: ‘Het kabinet wil daarom een drempelwaarde voor de bouw onderzoeken en uitwerken teneinde de toestemmingsverlening te vereenvoudigen.’ Dat zou moeten helpen om de productie op de been te houden, voor de sector en voor de economie als geheel. Echter, dit betreft een voornemen en is nog niet uitgewerkt.

Vrijwel tegelijkertijd heeft de Minister van Infrastructuur van Infrastructuur en Waterstaat op 19 juni 2020 een brief naar de kamer waarin zij de voortgang van het MIRT bespreekt. Daarin gaat zij in op de planning en de kosten, als er onvoldoende ‘stikstofruimte’ is. Op dit moment is het beeld daarvoor nog niet compleet. Van een viertal projecten van de tabel van 20 november 2019 is inmiddels wel vast komen te staan dat er geen vertraging op lijkt te treden, ondanks de vrees daartoe. En van enkele activiteiten wordt een versnelling aangekondigd.

Om versnelling te onderzoeken is er half april ook een Taskforce opgericht met deelnemers van Rijkswaterstaat en Marktpartijen. Deze taskforce heeft initieel 490 kansen tot versnelling benoemd, echter slechts 40 daarvan (ter waarde van ca. EUR 43 mln) zijn goedgekeurd en 333 voorstellen kennen belangrijke knelpunten of zijn afgewezen. Ten opzichte van de meer dan EUR 5 mld verwachte omvang aan uitgestelde projecten is de 40 mln minder dan 1%. Overigens heeft dezelfde Taskforce ook nog een inschatting van EUR 0,25 tot 1 mld gemaakt met mogelijkheden om de markt sneller te benaderen. Het referentiepunt voor sneller benaderen is daarbij relatief, omdat ook gekeken wordt naar andere opdrachtgevers, zoals projecten van ProRail en provincies.

Het is per saldo nu een jaar geleden dat de Raad van State uitspraak heeft gedaan over de PAS, met alle gevolgen van dien. Daarenboven zijn er voor de bouw ook nog de consequenties van regels en regelwijzigingen rondom PFAS in de bodem gekomen. En door de Coronacrisis is inspraak en besluitvorming op projectniveau zeker niet versneld. Opdrachten worden geannuleerd en de overheid (als bepalende factor in de infra) is daarin in toenemende mate debet aan. Cobouw schreef 11 juni 2020 op basis van haar BouwMonitor al: In maart was de overheid in 14 procent van de geannuleerde gevallen als opdrachtgever betrokken, nu is dat opgelopen tot 23 procent. Dat is bepaald niet anticyclisch.

Het uitblijven van een grote terugloop in omzet tot op heden in de sector, is te danken aan eerder gegunde opdrachten die nu in uitvoering zijn en door versnelling van projecten, waar mogelijk. Het is alles overziend echter zeer waarschijnlijk dat er in de sector tijdelijk forse vraaguitval gaat optreden, ondanks de inspanningen van onder andere de Rijksoverheid zelf.  

De Tweede Kamer krijgt voor het Nota Overleg MIRT in november 2020 een nieuw actueel overzicht van de gevolgen van de stikstofproblematiek op de planning.  Daarop wachten is voor bedrijven niet mogelijk, of zoals Cobouw op 12 juni 2020 optekende: “Er zijn heel wat bedrijven die na de bouwvak een droge portefeuille hebben”. Bedrijven in de infrasector zullen zich nu moeten gaan herstructureren om een onvermijdelijke omzetterugval op te kunnen vangen.