Investeren in duurzame ondernemingen gaat over veel meer dan CO2

Utrecht, juni 2021

Regelmatig verschijnen artikelen over de moeizame relatie tussen duurzaam beleggen en het verminderen van CO2-uitstoot. Duurzame beleggers moeten echter op veel meer factoren letten en de relevantste KPI voor duurzaamheid is zeker niet alleen CO2.

Organisaties die hun CO2-emissies verminderen zijn wellicht minder kwetsbaar voor prijsstijgingen van emissierechten of fossiele brandstoffen. Toch is directe emissiereductie maar een beperkte kijk op duurzaamheid want het zegt weinig over de emissies van de klanten of leveranciers. Emissiereductie van organisaties zegt bovendien weinig over verbetering van energiegebruik, grondstoffenverbruik, bodemgebruik en biodiversiteit.

Energieverbruik en CO2-emissies zijn verwarrende eenheden. Vaak is een organisatie efficiënter bij een hoger energiegebruik per medewerker - hoe kun je per medewerker zoveel mogelijk output realiseren - maar CO2 emissie zeggen dan niets over hoe duurzaam een bedrijf is. Omgekeerd zijn er ook voorbeelden van lage CO2-emissies per medewerker waar juist weer hoge maatschappelijke kosten worden verondersteld, denk bijvoorbeeld aan de veeteelt of aan de opwek en het gebruik van kernenergie. Kortom, CO2-emissies en energieverbruik zijn nogal slechte ‘leading indicators’ als voorspellers van financieel resultaat. Afvalproductie (ofwel excessief grondstoffen verbruik) is daarentegen wel een goede en duurzame voorspeller van financieel resultaat: hoe meer afval een organisatie produceert, hoe slechter het productieproces functioneert en hoe slechter de concurrentiepositie is. Zeker nu, in de afloop van de pandemie en opvallende verstoorde productieketens blijkt grondstofverbruik een belangrijke factor in de kostprijsbepaling van een bedrijf. 

Om beleggers te overtuigen te investeren in duurzame ondernemingen willen of moeten duurzame ondernemingen laten zien dat ze dat ook echt zijn, bijvoorbeeld conform de nieuwe EU regels voor het jaarverslag van grote ondernemingen. Transparantie is echter slechts stap 1 van duurzaam ondernemen. De tweede stap is dat negatieve impact van het eigen handelen op toekomstige generaties daadwerkelijk wordt verminderd. Een True Price, ofwel de sociale en ecologische kosten van de impact van de eigen bedrijfsvoering vertalen in de prijs van de eigen producten en diensten is daarvoor een strategisch hulpmiddel dat de Chief Risk Officer graag zal omarmen. Het helpt bijvoorbeeld om te zien waar in de productieketen risico’s van toekomstige prijsstijgingen zitten. Dat is belangrijk omdat de rekening van overbelasting van mens en natuur vroeg of laat moet worden betaald. Helaas, voor sommige organisaties, legt zo’n analyse ook bloot dat er dingen kunnen gebeuren die we in de toekomst onaanvaardbaar vinden. Zeer recent nam de rechter in de klimaatzaak tegen Shell daar al een standpunt over in. De frameworks voor duurzaamheidsverslaggeving zoals GRI, SASB en IIRC zijn wat dat betreft nog vergevingsgezind.

Voor daadwerkelijk duurzame organisaties is stap 3 het belangrijkste. Deze stap gaat over wat klanten doen met de diensten van die organisaties, bijvoorbeeld rijden of wonen zonder emissies of afval. Bedrijven die dat kunnen aanbieden, zonder een hogere total cost of ownership en met een goede score bij de stappen 1 en 2 zijn de winnaars van de toekomst. Nu de eerste klappen van de pandemie goed en wel zijn opgevangen is het met terugwerkende kracht nog urgenter geworden om daarmee aan de slag te gaan. Investeerders die actief sturen op het verbeteren van stap 1, 2 én 3 kunnen goede zaken doen.